Geruchten op slotenmaker Huldenberg

Tot slot vinden we met deze kant van dit Noordeinde, vlakbij een Haagpoort, alsnog een gevelsteen in dit huis betreffende schoenmaker Hendrick Gerritsz.

Ze bevatte zes kleine huizen, waarvan er ons via een ‘bouckverkooper' werd bewoond. Er waren in die buurt uiteraard verdere boekwinkels dicht bij elkaar. [Omdat ook op een Hippolytusbuurt en een Cameretten was daar een.]

Een St. Annastraat ontleende hoofdhaar benaming juiste klooster aangaande die heilige. Voor de opheffing van een conventen werden tevens het St. Annaklooster aan bestaan voormalige bestemming onttrokken. In Bleyswijcks dagen waren een bouwwerken en kloosterterreinen al ‘geheelijck tot woonsteden en tuynen geaccomodeert’.

In een Pepersteeg woonden 2 kleerma­kers, ons schoenmaker en een hoedenmaker in een eigen woonhuis. De laatste gaf, uitgezonderd drie stookplaatsen, ons fornuis aan. Ook waren daar 2 bakkers, die elk betreffende twee ovens en ons fornuis werkten.

Behalve de brouwerij ‘Int Hoeffyser' woonde Gerrit Fransz. Meerman, de hoofdschout met Delft, welke aangaande 1584-1609 het gewichtig ambt bekleedde. Mevr. Bosboom-Toussaint heeft hem in haar ‘Delftsche wonderdocter’ vanuit haar rijke verbeeldingskracht onuitwisbaar neergezet ingeval ons forse, vrije, rustige poorter over een fier burgergeslacht, welke naast dit bekleden met ons publiek ambt nog een ander beurs placht uit te oefenen. Meerman was ook graankoper, zoals men het toen noemde.

Op een hoek met een Breesteeg aan een westzijde van een Koornmarkt stond toentertijd een brouwerij ‘Inde Werelt’, werkende met 5 eest en twee ketels. Zeven huizen nader noordwaarts­ “een brouwerije ‘Inde Pauwe’, daervan eyghenaer is Jacob Pauw ende is oock bewoonder; sijn vrouw kan zijn aengheefster”.

Hugo Jansz betreffende Groenewegen was in 1572 alsnog burgemeester in Delft, doch ‘slipte of glipte’ in dat jaar een plaats uit, na via de Prins wegens Spaansgezindheid enige tijd in huisarrest te zijn gehouden.  

Met een westzijde met een Jacob Gerritszstraat prijkte in een gevel ons steen, waarna ons voorstelling was uitgebeiteld, waaronder te  bekijken stond: ‘Inden blinden Esel’, ons variatie op een meer gebruikelijke epitheta met dom, lui, koppig, enz., welke aan dat toonbeeld met geduld en eenvoudigheid via de ondankbare mens, die een goede kenmerken met dit buitengewoon miskende dier te zijnen bate aanwendt, sedert onheugelijke tijden werden gegeven.

Met een zuidzijde over een Achterzak had betreffende ‘Mijnheeren’ (de burgemeesters) ons zekere Jeremias betreffende Huelen een huisje gehuurd, waarin deze mits ‘coussebreyer’ een kost verdiende.

Antwoorden laten wij nu met respect met elkaar omgaan en dit werk van rob scholte letterlijk en figuurlijk steunen.waren daar maar meer personen betreffende zo heel wat moed.

‘Reynier, eertijds predicant’, had daar ons huis, dat deze met twee zusters verhuurde. (Bedoeld is Regnerus Donteclock, betreffende 1577-1590 bedienaar over het Goddelijk Woord in Delft, die in laatstgenoemd jaar tot Voorschoten vertrok. Overeenkomstig de legger van de verponding van 1620 was dat woonhuis destijds alsnog steeds eigendom aangaande de weduwe betreffende Reynier Donteclock, predicant) Behalve hem woonde de dochter aangaande wijlen Andries aangaande der Goes en eindelijk, op een zuidwesthoek met de Nieuwstraat, de zesde kleermaker met dat deel aangaande dit Antieke Delft.

Eindelijk vertoont zich in de gevel van dit derde woonhuis vanwege een hoek een stralende zonlicht en draagt het ook de naam ‘Inde Sonne’, onder welke benaming dit in mijn jeugd (uiteraard omstreeks 1850) nog bekend was.

Ze zette uiteraard een zaak voort, waaruit mijns inziens mag worden opgemerkt het Schol geen ‘konstschilder’, doch ons ‘huisschilder’ ofwel ‘verver’ was. Bestaan afaire kon door bestaan nagelaten dame betreffende vreemde hulp worden aangehouden, hetgeen via een weduwe betreffende ons collega betreffende Jan Steen of betreffende Mierevelt bezwaarlijk kon geschieden.

Wellicht gaat één hunner in ver­rukking aan des schilders talent, hem hebben toege­voegd: “Vous etes une merveille” of, gelijk in 't Ita­liaans geuit beschikken over. Op welke manier het zij, een man, die dit “Principibus placuisse viris” zo volkomen beaamde, mag uit die lofspraak aanleiding hebben gevonden om hoofdhaar ‘verduitst’ indien geslachtsnaam aan te nemen. De toevoeging van een t of een d met een uitgang aangaande ons woord kan zijn, gelijk men weet, beslist Delfts. Dit staat echter vast, het Michiel Jansz. in 1600 slechts ingeval slotenmaker Sint-Amands zoodanig vertrouwd was, terwijl hij in 1608 en in de registers met 1620 en 1637 M.J. Mierevelt en mr. Michiel betreffende

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *